Herkomst

 

 

 

 

 


Het Sorpedal

 


Houtskoolbrandershut/Köhlerhütte


Het Sauerland

 

 

 

 

 

 

 

Herkomst van de Familie Siepe

 

De familie Siepe in Nederland is afkomstig uit Duitsland. Nauwkeuriger gezegd uit het Sorpedal in het Sauerland, dat onderdeel is van het Bundesland Noordrein-Westfalen. In dit gebied ligt Winterberg, dat als wintersportplaats ook in Nederland bekend is.

Een groot deel van het gebied valt tegenwoordig onder de gemeente Schmallenberg.

 

Het Sorpedal is genoemd naar het riviertje de Sorpe, dat door het dal stroomt en later in de Lenne stroomt. Er ligt een aantal plaatsen in dit dal. Het hoogstgelegen (of achteraan in het dal) is Rehsiepen. De naam is ontleend aan een klein beekje, de Siepenbach, in het bovenste deel van het Sorpedal, dat later in de Sorpe stroomt. Verder naar beneden in het dal vinden we er de plaatsen Obersorpe, Mittelsorpe en Untersorpe.

 

Anton Heinrich Siepe, geboren in 1828, was al een paar jaar vanuit het Sorpedal in Duitsland als koopman (in het Duits: Handelsmann  of Hausierer) naar Nederland gegaan. In Nederland werd het beroep ook wel als "inlandse kramer" of handelsreiziger aangeduid. Of hij vaak (aantal jaren) naar Nederland is gelopen met zijn koopwaar, is niet bekend. Wel weten we dat hij ook al in Duitsland bekend stond als Hausierer, koopman dus. In het boek van Peter en Bärbel Michels, Das Sorpetal, in eigen beheer uitgegeven in 1986, zien we op blz. 54 dat in de akten/verslagen van de Förster (boswachter en jachtopziener)  Heinrich Siepe als Handelsmann vermeld staat. Op een gegeven moment heeft hij zich met zijn vrouw en zoon Theodor tussen 1866 en 1868 blijvend in Nederland gevestigd. Dat deden in die tijd veel Duitsers. Het waarom is niet altijd duidelijk. Zeker heeft meegespeeld dat de toekomstverwachting in het Sauerland niet geweldig was. De jongste broer van zijn vader, een zekere Johann Theodor Siepe, was al eerder naar Nederland gegaan; ook als koopman. Hij trouwde op 30-jarige leeftijd in 1845 in Winschoten. Deze Johann Theodor was dus al heel wat eerder dan "onze" Heinrich naar Nederland vertrokken. Toen een dochter van deze Johann Theodor in 1892 trouwde, werd bij haar vader als beroep winkelier vermeld. Hij had dus duidelijk zijn stek gevonden in Nederland. Het is goed mogelijk dat Heinrich in de jaren, dat hij van Duitsland naar Nederland trok met zijn handelswaar, zijn oom bezocht. Zeker is dat niet, omdat zijn oom in Obersorpe is geboren en Heinrich in Westfeld. Dat is toch gauw twee uur lopen.


Overigens is die band waarschijnlijk niet zo hecht geweest, want in de jaren, nadat Heinrich hier was ingeburgerd en nog drie zoons kreeg, is er eigenlijk in de familieverhalen nooit iets over die oom van hem gehoord. Misschien is dat te verklaren uit het feit, dat die oom in het jaar 1869 is overleden. Dus 1 of 2 jaar, nadat Heinrich zich in Nederland had gevestigd. Blijvend zijn de kontakten in elk geval niet geweest. Bij mijn onderzoek naar de familie Siepe in Nederland heb ik op geen enkele manier een band kunnen vaststellen. De gegevens van deze Johann Theodor zijn wel in de stamboom opgenomen. Mede omdat hij geen mannelijke nakomelingen had, is er geen verder nageslacht onder de naam Siepe van die tak bekend.

 

 

Het beroep van de koopman.

 

In het Sorpetal leefde de bevolking voornamelijk van hetgeen op het land kon worden verdiend. Dat betekende een beetje akkerbouw, een beetje veeteelt en een beetje rendement van de begroeiing; dat was het bos. De grond was echter erg arm en er was dus zeker niet altijd een (rijk) gedekte tafel. Daarom werd er gezocht naar andere en meer mogelijkheden om in het dagelijkse levensonderhoud te voorzien.

Al in de eerste helft van de 17e eeuw werd er melding van gemaakt dat het Klooster te Grafschaft, dat eigenaar was van veel bos- en landbouwgebieden in het Sauerland, (grofweg Sorpetal en Lennetal), Ahornbomen voor de fabricage van houten gebruiksvoorwerpen verkocht aan stedelingen uit Fredeburg en Schmallenberg en aan inwoners uit plaatsjes als Fleckenberg, Oberkirchen, Westfeld e.d. Men maakte o.a. houten lepels voor diverse doeleinden en houten schalen, botervormen en melkkannen, borden, klompen en ook andere spullen. Later werd deze houtfabricage met name in de dorpen rondom de Kahler Asten kenmerkend voor de streek. Er ontstonden ook verschillende houtdraaierijen, zowel beroepsmatige als ook particuliere.
 

Waarschijnlijk is deze houtindustrie in de dorpen aanleiding geweest voor het ontstaan van het beroep van Hausierer in deze streken (koopman, die langs de deuren gaat).  In 1850 waren er in het hele gebied van Hoogsauerland zo'n 1000 kooplieden!! Die werkten uiteraard niet allemaal voor zichzelf, want er waren ook fabrikanten die handelsreizigers in dienst namen. Ruim 60 jaar later waren er nog maar 65 (uit "Gericht und Kirchspiel Oberkirchen" van A. Bruns). Dit betekende dat het beroep grotendeels niet meer lonend was. Ook waren velen "in den vreemde" gebleven en bouwden daar een nieuw bestaan op.

In de 19e eeuw schakelden veel kooplieden over naar weefproducten, die ook tot in Nederland werden verkocht.

 

De houten gebruiksvoorwerpen werden vaak met het hele gezin in de winterperiode gemaakt om ze dan te verkopen. Natuurlijk waren er ook gezinnen die hun waren voor een fabrikant maakten en zelf niet op pad gingen voor de verkoop.

Na de winterperiode trokken de kooplieden er dan op uit om hun waar aan de man te brengen. Dat ging te voet, met een soort grote mand of draagstoel op de rug, waarop de koopwaar (tot zo´n 25 kilo) was verpakt. Andere bronnen hebben het zelfs over een gewicht van 50 kilo!! Dat zo'n handelsreiziger lang van huis was, spreekt voor zich.

 

 

De route van de kooplui.

 

In het boek van A. Bruns "Gericht und Kirchspiel Oberkirchen" in opdracht van de stad Schmallenberg in 1981 uitgegeven, zien we op pag. 706 dat er een vaste route was voor handelaren uit het dorp Nordenau. We mogen er van uit gaan dat de handelaren uit de dorpen in de omgeving dezelfde routes volgden. Verder lezen we dat de kooplieden in de winter pas na het feest van Sinterklaas weer naar huis kwamen, omdat dit in Holland een groot feest was. Ik neem aan dat ze niet bleven om het sinterklaasfeest mee te vieren, maar tot op de dag voor dit feest viel er waarschijnlijk nog wat te verdienen. Daarna ging men begin februari (Maria Lichtmis) weer op pad om voor de grote oogst (vermoedelijk graanoogst) weer thuis te zijn. Direct daarna, nog voor de aardappeloogst, vertrokken ze weer.

 

Beeld van de koopman op de
Spiekerhof in Münster

De koopman in Winterberg
(foto H.Siepe)


 

Van het Sorpetal gingen ze naar Arnsberg, waar de eerste halteplaats was. Kooplieden uit de verschillende plaatsen in de wijde omtrek verzamelden zich op zo'n eerste halteplaats, waar ze in een zaal op strozakken overnachtten. Die plaats bij de eerste halte is nauwkeurig bekend. Tegenwoordig is dat een boswachterij. De tweede dag gingen ze naar Soest. Daarna ging het op de derde dag verder naar overnachtingplaatsen tussen Münster en Rheine. Het is niet toevallig, dat in Münster een beeld van een Handelsmann of Kiepenkerl een prominente plaats op een plein heeft gekregen, want het was in de 19e eeuw een soort knooppunt van routes voor deze handelaren. Zie de foto hierboven links. Uit het Westfalenland, waartoe Münster behoorde, trokken jaarlijks vele Duitsers naar Nederland om daar als koopman te werken of als seizoenarbeider op het land te werken. Bekend is dat hele maaiploegen de grens over gingen. Dat werk werd met de zeis gedaan.

 

De vierde dag kwam men al aan de grens. Het spreekt voor zich dat de handelslui in de loop van de vierde dag hun eigen richting gingen, afhankelijk van waar ze in Nederland moesten zijn. De meesten  hadden  hun eigen "vaste klantenkring" of verkoopgebied. Menig handelsman bleef na verloop van tijd in Nederland. In een aantal gevallen zien we in de boeken wel terug dat mensen aan de overheid toestemming vroegen om naar het buitenland te mogen vertrekken. Officieel moest dat ook, omdat er (nog niet zolang) een dienstplicht voor jonge mannen gold. Maar menigeen vertrok zonder iets te vragen!

 

 

Erfopvolging.

 

Nog iets over het leven op een boerderij of "Hof", zoals dat in Duitsland wordt genoemd. Op een boerderij leefden vaak meerdere mensen van een en dezelfde familie. Ook arbeiders (dagloners) vonden in een boerderij onderdak. Soms hadden ze alleen onderdak en waren ze voor hun eten afhankelijk van de boer. In andere gevallen hadden ze ook wel een ruimte met een eigen kachel waar ze op konden koken. Deze dagloners waren voor de ontwikkeling van een dorp best wel belangrijk, omdat ze naast het werk in dienst van een boer, vaak ook nog een eigen beroep hadden, zoals kleermaker,timmerman, enz. In vroege volkstellinglijsten wordt melding gemaakt van het aantal inwoners per boerderij en van het hele dorp Obersorpe. Later zien we dat er ook dagloners of arbeiders zelfstandige woonruimte hadden.

Op de boerderij was de Hoferbe de baas. Letterlijk! Anderen - en dat konden dagloners, seizoenarbeiders, broers, zussen, kinderen, schoonzussen of zwagers zijn, al dan niet met echtgenoot en kinderen - waren vaak gewoon arbeiders voor hem of haar. Ze waren voor hun levensonderhoud afhankelijk van de boer en moesten daarvoor in zijn dienst zwaar werken. En dat al vanaf heel jonge leeftijd. De verantwoordelijkheid voor het weiden van koeien of schapen werd vaak aan kinderen van 10 tot 12 jaar overgelaten. Deze inwonende familieleden of arbeiders werden meestal als "Beisassen" of "Beisitzer" (inwonenden of bijzitters) vermeld in de boeken van de belastingdienst of van de eigenaar van de landerijen.

De erfopvolging ging meestal van vader op (de oudste) zoon. Soms zien we echter ook dat een dochter de opvolgster was van de boer (Hoferbin). In dat geval bleef de naam meestal wel hetzelfde, omdat die gekoppeld was aan de boerderij. Dat betekende, dat een eventuele echtgenoot van de erfopvolgster de naam van de vrouw kreeg

In het boek van A. Bruns zien we op pag. 599 een opsomming van de inwoners van o.a. Obersorpe in het jaar 1717. De gegevens zijn ontleend aan het archief van Freiherr von Fürstenberg Herdringen, V/32/34. Zie staatje

 

 

Het ontstaan van de naam.

 

Het ontstaan van de naam brengt ons terug tot vrijwel het eerste moment waarop zich weer mensen vestigden in Obersorpe, nadat het wel zo´n honderd jaar verlaten had gelegen. In het Duits zien we hier het woord "wüst", dat we aanvankelijk met woest of onontgonnen meenden te moeten vertalen. Uit de geschiedenis blijkt echter dat de streek al eerder bewoond was geweest en wel zeker al honderd jaar verlaten was. Er ontstonden problemen, toen de landerijen van de verlaten gebieden - die eigendom waren van het klooster te Grafschaft -  door boeren uit de omgeving werden gebruikt. Uiteraard zonder er iets voor te betalen. Daarom werden door dat klooster tussen 1538 en 1540 twee lijfeigenen in Obersorpe geplaatst. Dat waren de zwagers Johann en Thonies Brunert. Met hen werden overeenkomsten opgesteld, waarin de rechten en plichten van de boeren voor 8 jaren werden vastgelegd. Er werd nauwkeurig aangegeven wat de tegenprestaties van de boeren voor het klooster waren. En dat was heel wat:

Johann en Thonies kwamen uit Niedersorpe, dat maar een paar kilometer van Obersorpe verwijderd was. Overigens werd vroeger voor de afstanden gerekend in "uren lopen", omdat dat de normale manier van voortbewegen was voor de "gewone" man. Richtpunt voor de afstandsberekening was het kerkdorp, waartoe een dorp behoorde. Obersorpe hoorde bij Oberkirchen. De afstand was 1 uur lopen.

 

In het eerder genoemde boek van A. Bruns zien we (pag. 625) dat Johann Brunert de Brunerts Hof (boerderij) bouwde. Door erfdeling ontstonden uit deze boerderij twee boerderijen: de Brunertshof en de Röttgershof. De boerderij van Thonies Brunert kreeg de naam Jacobshof. Deze Boerderij bestaat nu nog (zie foto aan het begin van deze pagina). De zoon van Thonies Brunert heette Jacob Brunert en naar hem is de boerderij genoemd. Een kleindochter van Jacob Brunert huwde met ene Johnn Röbbe en kreeg bij zijn huwelijk de helft van de Jacobsboerderij. Dat werd uiteraard keurig in een akte vastgelegd door het Klooster in Grafschaft. Hij kreeg een schuur en een smederij in een drassig/moerassig deel van de landerijen. Die drassige grond werd een Siepen genoemd, omdat het water daar regelrecht door de grond sijpelde of siepelde. Johann Röbbe bouwde bij die schuur en smederij ook een woonhuis. Dit werd in de volksmond de Hof mi Siepen ofwel Hof Siepe genoemd. Vandaar de naam. Ook in Nederland kwam het in die tijd veelvuldig voor dat men zijn naam ontleende aan bijvoorbeeld een beroep, een uiterlijk kenmerk of de streek waar men woonde of vandaan kwam. Zoals we weten is dat veranderd in de Napoleontische tijd. Toen moest van iedereen een naam worden geregistreerd. Dat is ook in (delen van) Duitsland gebeurd.

 

De familie Siepe heet dus niet Röbbe naar de eerste stamvader; ook niet Brunert, naar de vrouw van de eerste stamvader, maar Siepe, naar de kenmerken van het gebied, waar ze woonden.

 

Dit eerste huis van Siepe bestaat overigens nog steeds. Het is nu een deel van Gasthof Siepe in Obersorpe. Als men er voor staat het meest linker gedeelte. De hierbij gevoegde foto is van rond 1930 en overgenomen uit het boek van A.Bruns. Zie foto

 

 

 

 

Niet alleen maar boeren.

 

In het Sorpedal kwamen verschillende grondstoffen voor, waar de bevolking gebruik van maakte. Dat was het hout, ijzererts en leisteen. Leisteen werd al naar gelang de kwaliteit, gebruikt voor dakbedekking, wandafwerking, vloerafwerking, enz. Foto's van een stilgelegde leisteenmijn heb ik van mijn broer Herman gekregen. Hij heeft de foto's in de omgeving van Winterberg gemaakt. Je kunt daarop zien dat zo'n mijn niet meer was dan een gat in de bergwand. Alles bij elkaar tamelijk primitief.
 

Leisteenmijn Ingang leisteenmijn

 

Voor de bewerking van met name ijzererts was veel houtskool nodig, dat in de bossen en op de hellingen van het Sorpedal werd gemaakt. De mensen die dit deden werden Köhler genoemd. De samenhang van de beroepen van houtskoolbranders, vervoerders van de houtskool en het ijzer en de smederijen, zijn op een kaartje weergegeven. Zie kaartje. Voor wat betreft de smederijen waren er eigenlijk twee soorten: één voor de bewerking van het erts tot ijzer en de bewerking van het ruwe ijzer (dat werd meestal een Hammer genoemd) en één voor de verdere bewerking van het ijzer (Schmiede of smidse). Ik heb dit kaartje eveneens uit het boek "Das Sorpetal" van Peter en Bärbel Michels. Zij bewonen overigens in Rehsiepen het oude boswachtershuis, dat zij schitterend hebben gerestaureerd.

 

Een houtskoolbrander was een beroep apart.

Voor houtskool werd meestal beukenhout gebruikt. Het werd in de herfst en winter gekapt en dan in de periode van mei tot oktober verkoold.

Het hout werd daarvoor in stukken van een meter lang gezaagd en had een doorsnee van tenminste 4 centimeter. Voordat het hout gestapeld werd, moest eerst van lange rechte stokken een soort koker van ongeveer drie meter hoog met een doorsnee van 25 cm. worden gemaakt. Deze koker moest als luchtschacht dienen. Daaromheen werd het gezaagde hout gestapeld en wel zo recht mogelijk en met de dikke kant naar beneden. Er werden drie etages op elkaar gestapeld. De bovenkant werd afgedekt met dunnere en kortere stukken beukenhout. Het geheel werd afgedekt met plaggen en aarde. Aan de voet van deze brandstapel, die Meiler genoemd werd, werd op een aantal plaatsen een gat gestoken om voor de nodige luchttoevoer te zorgen. Afhankelijk van de sterkte van de wind en de omvang van de Meiler konden dat wel 30 - 35 gaten zijn.

Het aansteken was een precies en langdurig proces, dat twee dagen in beslag kon nemen. Bovenin de luchtschacht werd gloeiende houtskool gedaan. Daarop kwam kleingemaakt hout. Meermaals moest van boven de gloed in de schacht aangevuld worden om de juiste temperatuur te verkrijgen. De temperatuur in de Meiler liep op tot zo'n 1200 graden C. Het verkolingsproces nam ongeveer 10 dagen in beslag. Het spreekt vanzelf dat de houtskoolbrander het proces goed in de gaten hield, want het was een heel kapitaal. Ze sliepen dan ook gedurende de hele periode van het houtskoolbranden in een zogenaamde Köhlerhütte. Dit was een echte plaggenhut. De basis bestond uit een aantal stammen, die boven samengebonden werden. Op de grond werden de stammen zo ver mogelijk uit elkaar geplaatst. Het geheel werd met plaggen, twijgen en gebonden lange grassen afgedekt. Aan een kant werd een gat gelaten om er in te kunnen komen. Dat gat diende tevens voor licht en lucht. Binnen werd zelfs gestookt voor warmte of eventueel koken.

Het hele proces van houtskoolbranden is in een fotocollage vastgelegd in datzelfde boek. Met de muisaanwijzer rechtsonder in de foto kunt u op het verschijnende teken klikken voor een vergroting.Klik hier.